Hoofdmenu

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vissenbiologie

 

Anatomie

Ten opzichte van alle gewervelde dieren zijn de vissen het meest geëvolueerd, al zo’n 350 miljoen jaar. Dat heeft vele soorten en ondersoorten voortgebracht, elk met zijn eigen, unieke eigenschappen en aanpassingen aan het waterleven. Wie zich afvraagt waarom de ene vis veel kleuriger is dan de andere, waarom de vorm van de vis per soort zo verschilt of waarom de vinnen er zo gevarieerde uit zien zal het antwoord op deze vragen snel vinden in het nut ervan. Met een beetje basiskennis van de anatomie en fysiologie van vissen kan men de oorzaken van hun uiterlijk en gedrag beter begrijpen. Begrip voor het functioneren van vissen in hun natuurlijke leefomgeving is dan ook onmisbaar als je ze met succes in het aquarium wilt houden.

 

 


 

Gewichtloos in het Water

De meeste vissen bewaren moeiteloos hun positie in het water; ze drijven niet en zinken ook niet. Het vermogen om gewichtloos te zijn danken zij aan hun unieke zwemblaas. Deze is met gas gevuld, wat de vis net genoeg drijfvermogen geeft om zijn eigen lichaamsgewicht gelijk te maken aan dat van het water! Bij sommige vissen wordt gas in en uit de zwemblaas gelaten door een speciaal luchtkanaal; bij anderen vissen is de zwemblaas gesloten en wordt gas uitgewisseld via het bloedvaatstelsel. Bij bodem vissen is de zwemblaas vaak gereduceerd, daar zij minder drijfvermogen nodig hebben. Sommige vissen maken “knorgeluiden” door de zwemblaas via de omringende spieren in trilling te brengen. De zwemblaas dient ook als trommelvlies; trillingen worden via een reeks benen “hefboompjes”of door uitsteeksels van de zwemblaas naar het inwendige oor overgebracht.

 

Lichaamsvormen

We zijn bijna allemaal op de hoogte van het feit dat water een veel hogere dichtheid heeft dan lucht, en dus moeten waterdieren veel meer energie spenderen in hun voortbeweging dan landdieren. Een gestroomlijnde vorm helpt uiteraard; daarom is de romp van vissen die veel zwemmen in dynamisch opzicht efficiënter dan bij vissen die weinig van hun plaats komen. Lichaamsvorm en leefwijze zijn sterk met elkaar verbonden en op zich ook weer een afspiegeling van de natuurlijke habitat, het voedsel en de wijze van vergaring.

 

Spoel- of Torpedovormig

Om langdurig te kunnen doorzwemmen heeft de Neontretra, net als veel andere karperzalmen en voornachtigen, een rompvorm die de weerstand in het water minimaliseert. De spoelvorm blijkt voor vissen uit openwater het meest efficiënt.

 

Rechte Ruglijn

Een rechte rug vinden we vooral terug bij vissen van het oppervlak, zoals veel killivissen (bv. zoals bij de Aplocheilus Lineatus) en ook weer de bijlzalmen. Ze kunnen daardoor gemakkelijk voedsel aan het oppervlak of iets daarboven grijpen.

 

Zijdelings Samengedrukt

Vissen met een hoog, dun, samengedrukt lichaam - zoals de Blauwe Discusvis - vindt men vaak in zwak stromend water, waar ze vaste plekken bewonen en veel tussen de begroeiing zwemmen. Door hun schijfvorm kunnen ze niet met snelle stromingen overweg.

 

In Doorsnee Driehoekig

De meeste bodembewonende meervallen, zoals bij de onderstaande Gevlekte Pantsermeerval, hebben een platte buik waarmee ze goed vastliggen op de bodem van snelstromende wateren. De kracht van het water op de flanken duwt ze tegen de grond.

 

Sterk Gekielde Buik

De diepe, kielvormige buik van bijlzalmen is sterk gespierd, en daardoor kunnen ze goed boven water springen, waarbij ze sturen met de hoog aangezette borstvinnen. Zo ontsnappen zij aan loerende roofdieren en vangen ze zelf vliegende muggen.

 

Aal- of Wormvormig

Aalvormige vissen zoals de Botervis vindt men meestal op de bodem, waar ze al kronkelend in kleine holten en door spleten kunnen glippen. Vaak kunnen zulke slanke vissen zich ook in het zand ingraven.

 

Bekvormen

De bekstructuur van vissen bepaalt wat en hoe ze kunnen eten. Vissen kunnen piscivoor (visetend) zijn, of insectivoor (levend van ongewervelden), of herbivoor (plantenetend), of gespecialiseerd op fytoplankton dan wel zoöplankton, of zelf op visschubben. Vaak passen zij dan ook in een aantal categorieën van specialisatie. De bek is door grootte en stand optimaal op de voedselopname ingesteld en laat zien welk dieet de vis prefereert.

 

Eindstandige bek

Een eindstandige bek zoals bij de Nannosstomus- soort en veel andere vissen uit de middelste waterlagen zit aan de snuitpunt en wijst recht vooruit. Boven- en onderkaak zijn even lang.

 

Uitstulpbare bek

Een uitstulpbare bek zie je vaak bij roofdieren, zoals bij de Ramirezi. De structuur is gecompliceerd en staat verwijding en het plotseling uitschieten van de bek toe, tijdens de jacht op voedsel.

 

Onderstandige bek

Bij vissen die hun voedsel op de bodem zoeken, zoals bij de Modderkruiper, is de onderkaak korter dan de bovenkaak; de bek is dus omlaag gericht. Gevoelige tastdraden komen bij dit type veel voor.

 

Zuigbek

De onderstaande Ancistrus-meerval leeft in snelstromende beken en zuigt zich daar aan stenen vast. In de zuigmond zitten rasptanden waarmee de vis algen van stenen kan schrapen.

 

Bovenstandige bek

Bij oppervlakte vissen zoals de Schuttervis, maar ook bij sommige planteneters (bv. de Anostomus) is de onderkaak langer dan de bovenkaak. Zo kunnen ze beter voer aan het oppervlak halen.

 

Sterk verlengde bek

De onderstaande Groene Snavellipvis kan met zijn lange snuit voedsel uit diepe spleten van koraalriffen halen. Ook in zoetwater leven zulke vissen; zij peuteren hun voedsel uit het zand.

 

Het gebit van vissen

De meeste vissen hebben tanden; vorm en plaatsing daarvan worden door het dieet bepaald. Bij beenvissen bestaan de tanden uit dentine met een glazuurlaagje, en ze bevatten een pulpaholte met zenuwen, bloedvaatjes en bindweefsel. Afhankelijk van de soort vindt men tanden op de kaken, in de mondholte, in de keelholte, of een combinatie van allen. Soms staan ze in paren (eentje in functie, de andere klaar om hem te vervangen), of worden ze in een rij gewisseld. Kaaktanden hebben een, twee of drie toppen. Tanden in de mondholte komen voor op verhemelte en mondbodem; zulke tandvelden zien we bij veel meervallen. Keeltanden zijn ver naar achteren geplaatst, bijvoorbeeld op de onderste keelbeenderen van cichliden: fijne, dunne naalden bij planktoneters, krachtige dolken bij roofvissen en platte, stevige maalkiezen bij slakkenkrakers. Karperachtigen hebben geen kaaktanden, maar wel allerlei keeltanden op een van de kieuwbogen, om hun speciale dieet mee te verwerken. Roofdieren zoals de Rode piranha hebben sterke kaken en scherpe snijtanden, om vlees van hun prooi te trekken; de tanden staan hier vaak naar binnen, zodat de prooi in de bek blijft.

 

De huid van vissen

Net zoals alle gewervelden zijn ook vissen bedekt door twee huidlagen – een onderhuid (dermis) met bloedvaten en zenuwen, en een dunnere opperhuis (epidermis) die afslijt en voortdurend moet worden vervangen. Veel (maar lang niet alle) vissen hebben schubben, die per soort kunnen verschillen in grootte, structuur en aantal. Als de beschubbing (deels) ontbreekt, is de opperhuid dikker. In de onderhuid wordt huidslijm gevormd, waardoor de vis glibberig aanvoelt.

 

Schubben

De meeste moderne beenvissen zijn meer of minder volledig met schubben bedekt. Ze zijn plaatvormig, bestaan uit stoffen die op tandbeen of glazuur lijken, en ze overlappen elkaar zoals dakpannen zodat het water er makkelijk langs kan glijden. Bodembewonende vissen missen de schubben vaak op de buikzijde, daar ze in die positie makkelijk zouden losraken als de vis in de snelle stroming tegen het substraat botst. Sommige vissen, zoals pantser- en harnasmeervallen, hebben geen schubben maar benige huidplaten, die al in het prille begin van hun leven aangemaakt worden door een verbening van de huidplooien. Weer andere vissen hebben noch schubben, noch huidplaten, maar zijn bedekt met een dikke, taaie huidlaag; zoals vaak bij bodemvissen. Vaak kunnen soorten van vissen worden onderscheiden aan het aantal schubben die ze in de lengterichting vertonen.

 

Ctenoïdschubben

Ctenoïdschubben hebben een kamvormige getande rand aan de vrije achterzijde. Vissen met dit type schubben, waaronder veel baarsachtigen, kunnen vasthaken in het netje als men ze uit het aquarium probeert te halen.

 

Beenplaten

Bij pantser- en harnasmeervallen ontstaan al bij de pas uitgekomen larven huidplooien die naderhand verbeend raken en beenplaten vormen. Deze pantsering bestaat niet echt uit been, maar uit verbeend bindweefsel. Denk aan de Hoplosternum Littorale.

 

Cycloïdschubben

Ctenoïdschubben hebben een kamvormige getande rand aan de vrije achterzijde. Vissen met dit type schubben, waaronder veel baarsachtigen - zoals de Zeebaars - kunnen vasthaken in het netje als men ze uit het aquarium probeert te halen.

 

Naakt

Meervallen hebben soms beenplaten, maar nooit schubben, en ze kunnen ook geheel naakt zijn, zoals hieronder afgebeeld. Om toch beschermd te zijn, hebben ze een dikke opperhuid. Veel bodemvissen hebben alleen een onbeschubde buik.

 

Ganoïdschubben

Dit is een zeer oude vorm van rompbedekking, met een meer oorspronkelijke structuur dan de hiervoor genoemde typen. De schubben liggen grotendeels vrij en zijn met een klein, kort aanhangsel in het weefsel verankerd, zoals bij de Acipenser Sturio.

 

Vreemde Huidpantsers

Vissen zonder schubben kunnen er nogal bizar uitzien. Bij mariene koffervissen, zoals  de Gehoornde Koffervis, is de romp geheel bedekt door een stijf, doosvormig pantser van beenplaten. Sommige kogel- en engelvissen zijn bedekt met forse stekels die overeind gaan staan als de vis zich opblaast; zo schrikt hij menig roofdier af.

 

De Zijlijn

Het zijlijnorgaan fungeert als een soort “tastzin op afstand”; de vis neemt er trillingen mee waar, zoals die worden opgewekt door de stroming en door andere vissen. Het is belangrijk voor hun oriëntatie, het voedsel zoeken en het vermijden van gevaar. De zijlijn is te zien als een overlangse rij fijne poriën in de schubben of beenplaten op de flanken; vaak loopt hij van vlak achter de kop tot op de staartwortel. Water stroomt deze poriën binnen en vult een reeks onderling verbonden buisjes onder de schubben. In deze buisjes zitten neuromasten, gevoelige zenuwuiteinden die verstoringen in het omringende water registreren en doorgeven aan de hersenen.

 

Kleuren

Visschubben zijn gewoon doorzichtig; de kleur ontlenen ze aan de pigmentcellen in de huid, de zogeheten chromatoforen. Deze bevatten rode, oranje, gele of zwarte pigmenten; ze kunnen zich samentrekken en uitdijen, waardoor allerlei kleuren ontstaan. In de huid zit ook een laag guanine (een bijproduct van de stofwisseling), die licht reflecteert, waardoor de vis er zilverig, wit of iriserend kan uitzien. De Blinde holenzalm, die in totale duisternis leeft, heeft geen pigment; hij is roze door de zichtbare bloedvaatjes.


Vissen kunnen hun kleuren gebruiken ter camouflage, als herkenningsteken, of om indruk op elkaar te maken. Iin open water zwemmende vissen hebben meestal een zilverwitte buik die zich weinig aftekent tegen de lucht of de waterspiegel, zodat hij van onderen niet wordt opgemerkt; hun rug is vaak donker, zodat hij van boven gezien tegen de bodem niet opvalt. De rugzwemmende meerval eet ondersteboven, dus hier is de buik donkerder dan de rug zodat roofdieren hem niet zien als hij bij het oppervlak eet. Soms maakt de tekening op de flanken een vis onzichtbaar tussen stenen of planten, terwijl bodemvissen vaak grauw van kleur zijn, net als de bodem. Maar vissen uit donkere of troebele wateren kunnen ook heel felgekleurd zijn, zodat een potentiële partner ze kan zien.


De meeste vissen kunnen van kleur veranderen. Sommige soorten vertonen een duidelijk dag-en-nacht ritme. Nannostomus-soorten hebbenoverdag krachtige overlangse strepen, maar ‘s nachts korte dwarsbanden. Gestreste of zieke vissen verbleken, ook zie je soms een andere tekening ontstaan. In de paartijd krijgen vooral mannetjes door hormonale invloeden vaak stralende kleuren, om een partner aan te trekken.


Met hun kleuren kunnen vissen ook dreigen of waarschuwen. De Vuurkeelcichlide heeft een vlek op elk van beide kieuwdeksels; als ze zich tegen een indringer opstellen, zetten ze de kieuwdeksels wijd open, zodat de vlekken twee dreigende ogen lijken. Valse oogvlekken op de staarwortel kunnen een aanvaller afleiden. Bij jonge visjes dient de jeugdtekening ook vaak ter verdediging, want een samengebalde school lijkt daardoor op een enkel groot dier. Roofvissen hebben soms weer een tekening die de prooi misleidt en doet denken dat hij in onschuldig gezelschap verkeert. Sommige diepzeevissen hebben lichtgevende organen ontwikkeld, waarvan de functie overigens niet volledig wordt begrepen.

 

Vinnen

Elke individuele vin speelt een rol bij het zwemmen; anders had de evolutie er voor gezorgd dat de vin er niet meer was. De bewegingen van de afzonderlijke vinnen zijn het beste waar te nemen bij langzaam zwemmende, zeer wendbare soorten zoals cichliden. Er zijn ongepaarde en gepaarde vinnen. De ongepaarde vinnen zijn de rugvin, de staartvin en de aarsvin (de laatste vlak achter de aarsopening gezeten). Gepaard zijn de borstvinnen (te vergelijken met onze armen) en de buikvinnen (opzij en voor de aarsopening). Soms ontbreekt bij vissen een bepaalde vin, maar soms hebben ze er nog andere vinnen bij, zoals een tweede rugvin of een vetvinnetje – een vlezig lobje achter de rugvin, met een nog steeds onduidelijke functie. De echte vinnen zijn dunne huidmembranen, gesteund door benige vinstralen en bestuurd door spieren aan de vinbasis.

 

Rug- en aarsvin

De rug- en aarsvinnen helpen de vis een verticale stand te bewaren. Rugvinnen kunnen zachte of harde tot zelfs stekelige vinstralen bezitten, of een combinatie daarvan: dat is per soort verschillend. Sommige vissen hebben een zeer lange rug- of aarsvin, en bewegen zich voort door golvende spiercontracties aan de vinbasis.

 

Zachtstralige Rugvin

Zachtstralige rugvinnen zoals bij de onderstaande Keizertetra, bestaan merendeels uit vrij buigzame, vertakte vinstralen die het vinmembraan ondersteunen; alleen aan de voorrand staan meestal enkele onvertakte stralen.

 

Aarsvin

De aarsvin is bij het Fluwelen Juffertje goed ontwikkeld. Hij bestaat hier uit zachte en enkele harde vinstralen. Net als de rugvin dient hij de vis om stabiel in het water te staan.

 

Het Stekelvinnige Type

Bij veel baarsachtigen, waaronder de onderstaande Noord-Amerikaanse Schijfbaars, heeft de rugvin (evenals de aarsvin) harde, onvertakte stralen in het voorste deel, en zachte, vertakte stralen in het achterste deel.

 

De Vetvin

De vetvin wijkt af van andere, normale vinnen, doordat hij hoofdzakelijk uit vetweefsel bestaat. Bij een paar soorten zijn er echter rudimentaire vinstralen te zien. Lang niet alle vissen hebben een vetvin, en de vorm en grootte kunnen sterk wisselen. Bij vissen die veel ondersteboven zwemmen, zoals de Rugzwemmende meerval, is de vetvin heel groot; hij dient daar blijkbaar voor hetzelfde doel als de aarsvin bij normaal rechtop zwemmende vissen, namelijk om een verticale stand te bewaren.

 

De Staartvin

De staartvin dient voor de voortbeweging van de vis. Heen en weer geslagen, levert hij de stuwkracht die de vis door het water vooruitdrijft; de vaart wordt erin gehouden door met de romp golvende bewegingen te maken. Bij sommige soorten loopt de staartvin door in de rugvin en/of de aarsvin, zodat een ononderbroken vinzoom ontstaat.

 

Gevorkte Staartvin

Bij vissen die veel zwemmen, waaronder tetra’s en voorns (zoals de onderstaande Kegelvlekbarbeel), is de staartvin diep gevorkt maar vrij laag, voor een goede stuwkracht bij geringe weerstand.

 

Breed Afgeronde Staartvin

Een staartvin met brede, gespierde staartsteel heeft meer weerstand, maar ook grote stuwkracht. Vissen met zo’n staart, waaronder veel cichliden, bewegen zich doorgaans langzaam en weloverwogen.

 

Borst- en buikvinnen

Vissen hebben meestal twee gepaarde vinnen, al kunnen de buikvinnen ook ontbreken. De buikvinnen dienen als rem en als hoofdrichtingsroer; met de borstvinnen kan de vis heel precies manoeuvreren en zich ook omdraaien. Om van koers te veranderen worden de gepaarde vinnen uitgeklapt.

 

Vericale Borstvinnen

Bij vissen uit de middelste waterlagen, zoals de Congozalm, zijn de borstvinnen verticaal gesteld voor een maximale manoeuvreerbaarheid, vooral bij trage, afgemeten bewegingen.

 

Horizontale Borstvinnen

Veel bodemvissen, zoals bij de Zuigmeerval, hoeven niet goed te kunnen zwemmen, maar moeten wel op de bodem kunnen blijven liggen. Grote, horizontale borstvinnen houden de vis op de grond.


 

Buikvinnen

Vissen veranderen van koers door de buikvinnen scheef te stellen (zoals bij het Javaanse Juffertje). Bij snelle beweging in een rechte lijn zijn ze vaak ingeklapt om de weerstand te verminderen.

 

Vinstekels

Bij meervallen is de voorste rugvinstraal vaak verdikt en stekelvormig. De stekel is vaak heel scherp en kan verticaal worden vastgezet. Dat schrikt roofvijanden af; de vis kan zich zo ook in spleten schrap zetten. Soms heeft hij een functie bij de paring, om er het vrouwtje meet te stimuleren of zelfs te omhelzen. Vinstekels zijn bij mannetjes vaak sterker ontwikkeld en kunnen soms dienen om soorten van elkaar te onderscheiden.

 

 

Fysiologie

Voor de instandhouding van de voornaamste lichaamsfuncties en daarmee voor hun bestaan, zijn vissen uiteraard sterk afhankelijke van hun leefomgeving. De watereigenschappen, waaronder temperatuur, chemische samenstelling en zoutgehalte, hebben diepgaande effecten op de fysiologische processen die zich in de waterdieren afspelen. De meeste vissen kunnen slecht tegen wisselende zoutgehaltes. Sommige soorten (zoals zalmen) trekken echter van zoet water naar zee en weer terug; daarbij moeten ze hun osmoregulatie steeds aanpassen.

 

 

Zouthuishouding

Alle vissen hebben in hun lichaam van nature vergelijkbare zout- en waterhoeveelheden, maar zoetwater- en zeevissen vertrouwen op verschillende mechanismen om het zoutevenwicht tussen hun lichaamsvloeistoffen en het omringende water in stand te houden. De huid van vissen is een semipermeabele membraan, waardoor water in een bepaalde richting kan passeren. Door het natuurlijke proces van osmose zal bij verschillende zoutconcentraties aan weerszijden van zo’n membraan het water uit de meest verdunde oplossing altijd naar de sterkere oplossing stromen en deze verdunnen, tot de concentraties gelijk zijn geworden.


Omdat de zoutconcentratie in een zoetwatervis hoger is dan in het omringende water, wordt water door de huid en de kieuwen geabsorbeerd in het lichaam van de vis. De vis hoeft dus geen water te drinken, en de nieren houden de noodzakelijke zouten vast terwijl ze grote hoeveelheden sterk verdunde urine uitscheiden. Bij zeevissen echter is de omgeving zouter dan zijzelf, en daarom verliezen ze door osmose water uit hun lichaam. Om uitdroging te voorkomen moeten zeevissen dus wel zeewater drinken. De overtollige zouten worden hier door de nieren in kleine hoeveelheden zeer geconcentreerde, zoute urine uitgescheiden. Vanwege de fundamentele verschillen in de wijze waarop de zoutconcentraties in het lichaam worden gehandhaafd, kunnen zoetwatervissen en zeevissen niet in elkaars leefomgeving voorkomen.

 

Thermoregulatie

Als je vissen in een aquarium wilt houden, moet je eraan denken dat ze in het algemeen hun lichaamstemperatuur niet zo kunnen reguleren zoals zoogdieren dat doen; ze nemen de temperatuur van hun omgeving aan. De levensprocessen van elke vissoort zijn ingesteld op het functioneren binnen bepaalde temperatuurgrenzen. Daarom moeten vissen in gevangenschap ook altijd binnen die temperatuurgrenzen worden gehouden, willen zij zich prettig voelen.

 

Ademhaling

Vissen hebben net als mensen zuurstof nodig; ze halen die uit het water, in een opgeloste vorm. Ze hebben geen longen zoals landdieren; in plaats daarvan nemen ze met de bek water op en laten dat over de kieuwen stromen, aan weerszijden achter de kop. Tijdens het passeren over de kieuwen worden gassen met het bloed uitgewisseld: zuurstof komt via de kieuwmembranen in het bloedvaatstelsel, terwijl kooldioxide en vaak wat ammoniak aan het water worden afgegeven. Het gehapte water wordt vervolgens via de kieuwspleet onder het kieuwdeksel uitgeperst. Het bloedvaatstelsel verspreidt de zuurstof over het lichaam, neemt intussen kooldioxide op en brengt deze afvalstof weer naar de kieuwen om te worden geloosd, waarmee de cirkel rond is.


Is er te weinig zuurstof in het water opgelost, dan komen de vissen naar het oppervlak. Het lijkt alsof ze lucht inademen, maar dat is natuurlijk onzin. Vlak onder het water oppervalk is de zuurstofconcentratie het hoogst. Vissen die op ongebruikelijke wijze aan het oppervlak “hangen” lijden dus vaak aan zuurstofgebrek.


In gebieden waar de wateren geregeld uitdrogen leven vissoorten met een accessorische (hulp)ademhaling. Pantsermeervallen en sommige modderkruipers kunnen lucht inslikken, waarna ze in hun zeer bloedvatrijke einddarm de zuurstof eruit opnemen in het bloed.


Nog sterker gespecialiseerd zijn de meervallen uit de Clariidae familie en ook vele labyrintvissen, die een soort longen hebben ontwikkeld waarmee ze zuurstof uit de lucht kunnen opnemen. Dit achter de kieuwen gelegen hulporgaan, labyrint genaamd, heeft een doolhofachtige structuur en moet vochtig gehouden worden om te kunnen functioneren; de vissen kunnen daartoe water in de labyrintholte opslaan. Dankzij hun labyrint kunnen zulke vissen perioden van zuurstofgebrek overleven, en vindt men deze dan ook vaak in modderige, stilstaande, ondiepe of erg warme poelen.


De kieuwen bestaan uit weefsel waarin zeer veel bloedvaatjes vlak onder het oppervlak doorlopen; ze zijn daardoor normaliter rozerood van kleur. Uitgaande van een korf van kraakbenige kieuwbogen verlopen kamvormige aanhangsels (filamenten) die zelf weer kieuwplaatjes (lamellen) dragen, die sterk doorbloed zijn. De lamellen zijn erg teer en kunnen licht beschadigd worden door vuil dat in het water zweeft; daarom hebben sommige vissen fijne kieuwzeefjes ontwikkeld om dergelijke rommel uit te filteren en tevens voedseldeeltjes binnen te houden.

 

Slaap

De meeste vissen zijn gedurende een deel van de dag of nacht verminderd actief; zo’n slapende vis kan men als het ware met de blote hand vangen. Omdat vissen geen oogleden hebben, zien ze er echter ook dan nog wakker uit. Tijdens de slaap nemen vissen vaak camouflerende houdingen aan. Sommige gaan op de bodem liggen, andere juist met de kop omlaag onder de waterspiegel hangen. Weer andere zoeken een hol of een rotsspleet op, en er zijn ook vissen die gewoon horizontaal in de middelste waterlagen slapen. Bepaalde rifbewonende papegaaivissen verbergen zich in een hol en omhullen zich met een dikke laag slijm; als ze weer wakker worden, moeten ze eerst uit hun “slaapzak” wringen voor ze weg kunnen zwemmen. Bedenk wel dat vissen in een aquarium niet altijd dezelfde slaapgewoonten hebben. Houd kleine visjes die ’s nachts slapen niet samen met nachtdieren die jacht op ze kunnen maken.

 

Zintuigen en Instinct

Vissen zijn waterdieren en maken dus anders gebruik van hun zintuigen dan landdieren zoals wij. Hun zintuiglijke vermogens zijn aan het waterleven aangepast, en vaak ook aan heel bepaalde omstandigheden daarin. Zo vertrouwen vissen uit troebele wateren vaak meer op hun tast en geurzin dan op hun ogen. Sommige soorten hebben andere vermogens ontwikkeld, zoals elektrogene radar. Alle fysieke eigenschappen, vermogens en instinctmatige gedragingen van vissen zijn door evolutie ontstaan en zijn essentieel voor een bepaalde leefwijze.


Gezichtsvermogen

Voor de meeste vissen is het gezichtsvermogen van direct levensbelang; ze moeten voedsel en potentiële partners kunnen waarnemen, maar ook roofvijanden en andere gevaren. Hun waterige leefomgeving maakt vissen veel meer bijziend dan landdieren. De meeste vissen zien helemaal geen diepte omdat hun ogen in verschillende richtingen kijken, maar er zijn ook soorten (vooral roofvissen) die beide ogen op een bepaald voorwerp kunnen richten en zo de afstand kunnen bepalen.


Vieroogvissen (Anableps-soorten) grijpen veel voedsel (insecten) boven water; daartoe hebben ze horizontaal gedeelde ogen met dubbel focus lenzen ontwikkeld, zodat ze zowel onder als boven water goed kunnen zien.


Vissen uit de middelste waterlagen hebben meestal relatief grote ogen, die doorgaans 25-50 procent van de hele kop in beslag nemen en zo geplaatst zijn dat de vis een beeld heeft van zijn hele omgeving, maar zonder dieptewerking. Bij roofvissen overlappen de gezichtsvelden van beide ogen elkaar; zo kunnen ze beter afstanden schatten en efficiënt op prooien jagen.


Licht dringt slecht in water door; veel bodemvissen maken daarom minder gebruik van ogen en des te meer van hun geur en tastzin. Ze hebben relatief kleine ogen boven in de kop, zodat ze gevaren van boven goed zien aankomen. Grotbewonende vissen hebben sterk gereduceerde ogen, of zelfs helemaal geen ogen. Compensatie vinden ze in een uitzonderlijk goed ontwikkeld zijlijnorgaan om mee te navigeren.


Vissen hebben geen oogleden of traanbuisjes nodig , want hun ogen worden door het water natgehouden. Sommige soorten uit ondiep, helder water hebben echter een huidlobje dat over het oog kan worden geschoven om het netvlies tegen vel zonlicht te beschermen.

 

Gehoor

Hoewel vissen geen uitwendige oren hebben, kunnen ze toch vaak goed horen met hun inwendige oor, achter de kop. Water is dichter dan lucht; daarom planten geluidsgolven zich in water sneller voort en worden ze beter waargenomen. Bij sommige visgroepen staat de zwemblaas met het inwendige oor in verbinding via het orgaan van weber, een reeks beenstukjes die trillingen doorgeven. Het gehoor orgaan van vissen omvat ook het evenwichtsorgaan.

 

Geurzin

Vissen gebruiken hun geurzin om voedsel op afstand te localiseren. Anders dan landdieren hebben vissen geen neus om door te ademen en daarbij ook te ruiken. Wel hebben ze neusgroefjes met een aantal kleine zintuigkransen die rijkelijk zijn voorzien van geurreceptoren. Deze staan via het zenuwstelsel in verbinding met de hersenen. De meeste vissen hebben twee paar onderling verbonden neusopeningen. Door spierwerking wordt water de voorste neusopeningen binnengepompt, waarna het over de zintuigkransen stroomt en via de achterste openingen verdwijnt. Veel meervallen, vooral soorten met gereduceerde ogen, hebben een verbeterd reukorgaan, met een langere buis tussen de openingen, waarin meer geursensoren een plaats vinden. Deze vissen kunnen daardoor veel beter geuren waarnemen. Cichliden en diverse andere baarsachtigen hebben maar één paar neusopeningen; het ingepomte water wordt hier via dezelfde opening weer uitgestoten.


Mensen hebben alleen een tong om mee te proeven. Vissen echter hebben allerlei smaakzintuigen - op de lippen, in de mondholte, buiten op de kop, soms ook op andere lichaamsdelen. Baarddraden zijn een soort uitwendige tong. Onvertakte baarddraden vinden wij vaak bij bodemvissen met onderstandige bek; ze worden gebruikt om de bodem af te zoeken naar iets eetbaars. Sommige meervallen (met name Synodontis-soorten) hebben vrij korte, veervormig vertakte baarddraden met een vergroot oppervlak waarop meer smaakreceptoren een plaats vinden. Er zijn ook soorten met bladvormige baardraden, voorzien van een huidplooi met smaakzintuigen. De Zuid-Amerikaanse meerval Pseudodoras Niger heeft een hele verzameling aanhangsels op het verhemelte en op de mondbodem, geheel bedekt met smaakknoppen. Veel goerami's hebben draadvormig verlengde buikvinstralen met zintuigorganen.

 

Tastzin

Vissen hebben een ander soort tastzin dan wij mensen. Soms schuren ze zich langs voorwerpen om huidirritatie door parasieten te verlichten, maar in het algemeen is de tastzin bij vissen gerelateerd aan de smaak. Baarddraden en sommige vindraden worden wel gebruikt om objecten af te tasten, maar ze bevatten ook smaakzintuigen en de vis is in feite bezig te proeven of iets eetbaar is. 's Nachts actieve bodemvissen (zoals veel meervallen) gebruiken hun baarddraden vaak om hun weg in het duister te vinden.

 

Elektrische Organen

In het lichaam van alle gewervelden worden kleine elektrische ontladingen van de zenuwuiteinden op de spieren overgebracht. Bij sommige vissen zijn bepaalde spiercellen echter omgevormd tot elektrische organen die deze ontladingen versterken. Vissen met krachtige elektrische organen (zoals siddermeervallen uit het geslacht Malapterurus) gebruiken deze om prooien te verdoven en roofvijanden af te schrikken. Ze kunnen forse schokken toedienen, en aquariumdieren moeten met voorzichtigheid worden behandeld. Zwakkere organen vinden wij bij olifantvissen (bijvoorbeeld Gnathonemus-soorten); de schokjes kunnen hier alleen met een amperemeter worden ontdekt. De vis gebruikt ze om een elektrisch veld om zich op te bouwen. Aan verstoringen in de terugkerende signalen herkent hij obstakels of andere vissen in zijn omgeving. Elektrische vissen hebben veel nut van hun aanpassing; ze leven in troebele, modderige wateren en hebben kleine ogen, waaraan ze voor de navigatie en het voedsel zoeken niet genoeg zouden hebben.

 

Geluiden maken

Sommige vissen kunnen geluiden maken; de functie daarvan is nog onduidelijk. Misschien doen ze het om vijanden af te schrikken, of soms ook om een partner te vinden - dat dan vooral bij solitair levende soorten. geluiden planten zich in water nog beter voort dan in lucht en kunnen dus ook dienen als communicatiemiddel in een groep, vooral in troebel water waar de ogen weinig nut afwerpen. Vissen hebben geen strottenhoofd, dus moeten ze geluiden op andere wijze maken. Sommige soorten (vooral meervallen) kunnen het borstvingewricht aanspannen zodat frictie ontstaat tussen de beenstukjes; zo ontstaat een laag, knorrend geluid. Andere vissen kunnen de zwemblaas doen trillen, door de spieren waaraan hij is opgehangen, of anders door een gecompliceerde, elastische groep beenstukjes aan de voorzijde. In beide gevallen ontstaat een lage, grommende toon. Nog weer andere soorten, met name Botia-soorten en enkele zeevissen, maken harde klikgeluiden door een bewegelijke stekel onder het oog snel in- en uit te klappen.

 

Lichaamstaal

Zoals de meeste dieren geven ook vissen signalen via hun lichaamstaal. Soms pronken vissen tegen elkaar, om te dreigen of om te waarschuwen dat ze giftig zijn, maar het vaakst nog om een partner aan te lokken. Sommige wetenschappers denken dat de lichaamstaal van vissen uit dezelfde familie maar van verschillende continenten tegenovergesteld kan zijn, zodat een onderdanige houding van de ene soort door een verwante soort van elders juist als dreighouding wordt opgevat. Dit soort contrasten zijn gevonden bij Amerikaanse en Afrikaanse Cichliden.

 

Territoriaal Gedrag

Sommige soorten zijn van nature territoriaal ingesteld en verjagen alle andere dieren die binnendringen in wat zij als hun gebied zien. In de natuur kan dat een veel groter gebied zijn dan in een aquarium past. De territoriumgrenzen worden vaak aan het begin van de paartijd vastgesteld. De agressie richt zich vaak alleen op de eigen soort. Zo kunnen Ancistrus-meervallen onderling heftig strijden om een woning in een hol of onder een stuk hout, maar andere vissen laten ze volledig met rust. Gelukkig kalmeren veel vissen weer als de pikorde eenmaal is vastgesteld, en leven ze daarna vreedzaam samen. Sommige soorten maken trektochten naar de paaiplaatsen, in de natuur soms over enorme afstanden. Dat vissen soms lastig in gevangenschap zijn na te kweken, kan te maken hebben met de onderdrukking van dit instinctieve trekgedrag.


 

                                                                          Vissen biologie